Bij bodemisolatie wordt er isolatiemateriaal op de bodem van de kruipruimte aangebracht, veelal polystyreen chips, parels of zeeschelpen.

Bij chips is een laag van 30 cm in de kruipruimte al voldoende voor een goede isolatie en voor parels is een laagdikte van ca. 15 cm nodig. Zeeschelpen worden in de kruipruimte met een laagdikte tot ca. 25 cm boven de hoogste grondwaterstand aangebracht.

Het aanbrengen van bodemisolatie zorgt voor een optimale luchtvochtigheid in de kruipruimte waarbij de vochtige lucht gaat condenseren op het koudste punt in de kruipruimte, en dat is de bodem van de kruipruimte geworden. De vloer wordt hierdoor droger en warmer. Bij houten vloeren voorkomt dit ook schimmel- en zwamvorming.